Nieuws
Omar Khayyam is veelzijdig inspirator
19.06.2009Op 5 juli a.s. geeft het Nederlands Kamerkoor een concert met composities op teksten van de Perzische dichter Omar Khayyám. Khayyám heeft talloze componisten, filmmakers en toneelschrijvers tot inspiratie gediend.
Het volgende artikel van Jos Coumans mochten wij overnemen van zijn website www.omarkhayyamnederland.com
Meer informatie over ons concert op 5 juli in het Muziekgebouw vindt u hier. Kaarten zijn nog verkrijgbaar!
Master of the Show
We are no other than a moving row
Of Magic Shadow-shapes that come and go
Round with this Sun-illumin’d Lantern held
In Midnight by the Master of the Show;
(kwatrijn 68, 1872)
Drama en theater
In een brief (1868) aan FitzGerald beschreef zijn vriend E.B. Cowell hoe een traditionele toverlantaarn of ‘Fanus’ in het Perzisch eruit ziet en hoe hij werkt. De beschrijving was voor Edwin Edwards, een vriend van FitzGerald, aanleiding om een ets te maken van zo’n Fanus. Maar in plaats van de toverlantaarn aan een draad of stok op te hangen, liet Edwards haar hoog houden door een slechts gedeeltelijk zichtbare hand. Daarmee suggereerde hij de verborgen aanwezigheid van een ‘Master of the Show’. De prent was gepland als frontispice voor de uitgave van de derde versie van FitzGeralds vertaling (1872). Vanwege de gebrekkige uitvoering werd ze uiteindelijk afgekeurd.
De symbolische betekenis van zowel de prent als Omars kwatrijn is duidelijk: ons gaan en komen is te vergelijken met de figuren in een toverlantaarn, die bestaan en bewegen bij de gratie van de ‘toneelmeester’ die het licht verzorgt.
Kwatrijn 68 (i.e. nr. 46 in de 1e editie, 1859) vormt daarmee een van de oudste verwijzingen met betrekking tot Omars Rubáiyát naar een vorm van toegepaste kunst. Immers, dergelijke toverlantaarns en schaduwspelen waren in de 12e eeuw in heel Centraal Azië bekend. De ‘World Encyclopedia of contemporary theatre’ spreekt van ‘khiyal bazi’ en ‘zochabozi’, waarmee een populaire vorm van poppen- of schaduwspel wordt aangeduid. Via deze traditionele, theater-achtige voorstellingen loopt er een lijn naar hedendaagse dramatische manifestaties met Omar Khayyám en zijn Rubáiyát als onderwerp of inspiratiebron. Zo maakten Centraal-Aziatische regio’s als Uzbekistan en Tajikistan gebruik van de vrijheid van de post-stalinistische periode in de USSR, om hun culturele erfgoed en erflaters opnieuw te ontdekken. Resultaat daarvan waren onder andere theaterstukken waarin Hafiz, Sina, Jami en ook Omar Khayyám een rol speelden. In 1892 produceerde Maurice Bouchor het marionettenspel ‘Le songe de Khèyam’. Het was een een-akter, waarin Omars levensbeschouwing werd gepresenteerd. Het succesvolle stuk werd onder meer in Amerika opgevoerd. Daar was FitzGeralds vertaling van de Rubáiyát inmiddels aanleiding geweest tot een enorme Omar-rage. Er werden revues, tableaux-vivants, pantomimes uitgevoerd, al dan niet met voordrachten en muzikale ondersteuning of achtergrond. Er werden toneelstukken opgevoerd op basis van Omars kwatrijnen. ‘Kismet’ (Noodlot), een musical van Edward Knoblock werd in 1911 in concertante vorm uitgevoerd, en beleefde als theateruitvoering zijn première in 1953. In het stuk is Omar Khayyám slechts een figurant die met de hoofdrolspeler wedijvert in gedichten schrijven. De musicalversie is verleden jaar november nog enkele keren in Amersfoort opgevoerd. In de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw werden verschillende filmversies gemaakt van Kismet. In een versie uit 1944 speelde Marlène Dietrich een van de rollen. Verder is er nog een filmversie uit 1955.
Eugene O’Neill schreef in 1932 een autobiografisch getint stuk ‘Ah Wilderness’. De titel was ontleend aan het beroemde kwatrijn ‘A book of verses ...’ De hoofdrolspeler is een 17-jarige puber die het leven en de liefde ontdekt, maar problemen met zijn ouders krijgt door de lectuur van blasfemische en opruiende teksten als de Rubaiyat. Van het stuk werd een film gemaakt, “Summer Holiday” (1948) maar de scene waarin de hoofdpersonen naar de wereld van Khayyám werden overgeplaatst, werd daarin weggelaten.
Vrijheid van meningsuiting versus de dogmatiek van het geloof vormde het aloude, maar zwaarwichtige thema van een theatervoorstelling ‘Iranian nights’ die in 1989 in Londen werd opgevoerd. Het stuk ging over de betekenis van de kwestie van de ‘Duivelsverzen’ van Salman Rushdie en de daarover uitgesproken veroordeling door ayatollah Khomeini. De personages zijn de Kalief, Sheherazade en Omar Khayyám. In een toneelproductie van de Oostenrijkse Willi Bernhart, getiteld ‘Tu felix Austria’ werden teksten van Khayyám, Grillparzer en anderen gebruikt om de angsten en nachtmerries van de Oostenrijkers voor het vreemde en de vreemdeling uit te beelden. Van Nederlandse bodem is ‘Song’, een stuk voor zes dansers van Ton Simons, dat in 1996 in Rotterdam in première ging. De titel ontleende het dansstuk aan de aria’s uit Mozarts opera buffa ‘Cosi fan tutte’. Naast de aria’s klinken in ‘Song’ telkens in het Engels vertaalde teksten uit de Rubaiyat.

Illustratie van Edwin Edwards
Muziek
Muzikaal gezien beleefde Omar zijn première op 5 juli 1896, toen de liederencyclus ‘In a Persian garden’ (1896) van Liza Lehmann voor het eerst ten gehore werd gebracht. De oudste opnamen op grammafoonplaat dateren van 1911 en 1929. Van recenter datum is een opname op cd door het Cantabile Vocal Quartet (Quattro Voci Records). Het lied ‘Ah, moon of my delight’ is vele malen vertolkt en uitgebracht, o.a. door Mario Lanza. Het nummer is ook te vinden op de cd ‘Bird songs at Eventide’ (Hyperion CDA 66818, 1995) en ‘In praise of women: 150 years of English women composers’ (Hyperion CDA66709)

In a Persian Garden, 1896
In contrast tot de bezetting van Lehmann’s werk (vier solo-stemmen met pianobegeleiding) staat de ‘Omar Khayyám’ (1906) van Granville Bantock. Het werk is geschreven voor drie solo-stemmen, koor en orkest en beslaat drie delen. De première vond plaats op 15 februari 1910, nadat de afzonderlijke delen eerder waren uitgevoerd in 1906, 1907 en 1909. Bantocks ‘Omar’ is daarna nog enkele keren uitgevoerd, en hoewel de BBC over een opname uit 1979 schijnt te beschikken, is het werk voor zover bekend, nooit op plaat of CD uitgebracht.
Beide werken zijn uiteraard terug te vinden in Potters bibliografie, die in totaal 33 items geeft in de rubriek ‘Music, drama, art’. Hierna volgt een overzicht van uitvoeringen, opnamen, partituren enz. van later datum die ik in de afgelopen jaren heb gesignaleerd. Verder verwijs is graag naar het overzicht dat Johan van Schagen heeft opgenomen in zijn ‘Rubaiyat/Kwatrijnen’ van 1995. Uit dit overzicht noem ik hier alleen de Nederlandse werken:
- Willem Smalt: Vijf kwatrijnen van P.C. Boutens; voor vierstemmig gemengd koor a cappella, ca. 1916.
- Lex van Delden: Rubaiyat; for soprano, tenor, mixed choir, 2 piano’s and percussion, 1947.
- Daniel Ruyneman: Drei persische Lieder für Stimme (hoch) und Klavier, 1951.
Ander werk van Nederlandse bodem is ‘Three quatrains of Omar Khayyám’ door Pieter van der Staak, op CD opgenomen in een uitvoering door Jan Bartlema: Pocket Music (Daminus Records 971).
Van ‘Drei Persische Lieder’ en ‘Vier Liederen op teksten van J.H. Leopold’ van Daniël Ruyneman is een opname op cd verkrijgbaar onder de titel: ‘De Ploeg - Daniël Ruyneman en zijn tijd’ (Do records 002).
‘Kwatrijnen van Omar Khayyam’ , op teksten van Leopold, door Karin van der Knoop dateert van 1995. Het is een werk voor koor, sopraansolo, drie fluiten, basklarinet en percussie.
Composities van meer symfonische aard zijn o.a. Alan Hovanhess ‘The Rubaiyat’ , in 1977 op lp uitgebracht en in 1995 op cd (Delos DE 3168), en Sofia Gubaidulina ‘Rubaiyat’ (BMG Classics, 74321499572)
Ook aan de populaire muziek is Omar Khayyám niet voorbij gegaan. Van de Amerikaanse folk-singer Woody Guthrie is bekend dat hij teksten uit de Rubáiyát bewerkte. Een voorbeeld is te vinden op de lp ‘Hard Travellin’ uit 1947 ook verkrijgbaar op cd (Folkways, UPC: 09307401022) In 1966 brachten Allan Toussaint en Willie Harper een soulplaatje uit onder de artiestennaam The Rubaiyats, getiteld ‘Omar Khayyam’, (Sansu 456).
The Grateful Dead, de vermaarde hippy-band van de jaren zestig gebruikte voor de aankondiging van een optreden in 1968 een affiche met daarop de bekende illustratie van Edmund J. Sullivan: het met rozen getooide geraamte. Op latere lp’s, o.a. ‘Grateful Dead’ uit 1971, was de hoes met deze tekening versierd.
In het nummer ‘Rave on John Donne’ bezingt rock-and rollzanger/troubadour Van Morrison Omar als volgt:
“Rave on Omar Khayyam, Rave on Kahlil Gibran, Oh, what sweet wine we drinketh, The celebration will be held, We will partake the wine and break the Holy bread” (‘Inarticulate speech of the heart’, Exile 537 543-2)
Dorothy Ashny’s jazz-lp ‘The Rubaiyat of Dorothy Ashby’, met teksten geïnspireerd op de Rubáiyát brengt op veilingen honderden dollars op. Ook in de hedendaagse pop-muziek vinden we teksten uit de Rubáiyát. Voorbeelden zijn te vinden op de cd ‘Let us play’ (1997) van de groep Coldcut (LEN QD 30), op ‘Envies’ van Légitime Démence (Viva Disc CL 03) en ‘Groundloop’ (2000) van de groep In the Nursery (EFA 70122-2). Eveneens recent is ‘Omar’s Blues’ (2000) van David Olney (DEAR 0016), die in enkele nummers Omar parafraseert, bijvoorbeeld als volgt:
“Wake up, darlin’, the sky is turning light, Dawn’s left hand has rolled away the night”.
Erg mooi tenslotte zijn nog de chanson-achtige liederen op de cd ‘Omar Khayyam’ van de Syrische zanger Abed Azrié (SAN 4919512)

Grateful Dead, 1971
Gesproken tekst
In de loop der jaren zijn er ook opnames gemaakt van gesproken tekst, veelal in de vertaling van Edward FitzGerald. Hieronder volgt een (niet volledige) opsomming. ‘Alfred Drake reads The Rubáiyát and Sohran and Rustum’ (Caedmon TC 1023, 1954), Op de lp ‘Poet’s Gold’ (RCA Victor LM-1813, 1955) zijn Helen Hayes, Raymond Massey en Thomas Mitchell te horen. Bij de versie die Jim Ameche, ‘Rubaiyat of Omar Khayyam’ (Capitol L544, 1955) las, componeerde Harold Spina de achtergrondmuziek. Ook de voordracht van Ralph Bellamy op ‘The Rubáiyát of Omar Khayyám’ (RCA Victor11-9184, 1955) heeft achtergrondmuziek. ‘The Rubaiyat of Omar Khayyam by Edward Fitzgerald’ gelezen door Marvin Miler dateert uit 1958 (“The Audio Book of Famous Poems”). Onder dezelfde titel is er een lp met een gesproken versie door Micheal MacLiammoir (Dolphin DOLM 5019). Bij de versie die George Rosette voorleeest, ‘The Rubáiyát of Omar Khayyám’ (Timeless Words TW-201, ca. 1960) horen we op de achtergrond fragmenten uit ‘Sheherazade’ van Rimsky-Korsakoff. Uit 1967 stamt een opname van Kigh Dhiegh: ‘The Rubaiyat of Omar Khayyam’ (CMS 527). Het bijzondere van deze opname is dat ze begint met het tweede kwatrijn (‘Dreaming when Dawn’s Left Hand ...’) en eindigt met het eerste (‘Wake, for Morning in the Bowl of Night ...’). Deze langspeelplaten zijn nog wel te vinden met behulp van zoekprogramma’s op Internet. Dat er in een paar jaar tijd verschillende opnamen werden uitgebracht duidt er wel op dat het een populair onderwerp moet zijn geweest. Meer recent zijn opnamen op audio-tape of cd-rom. Ik noem de volgende: ‘The Rubaiyat of Omar Khayyam’ in de vertaling van, en gelezen door Robert Graves (Spoken Arts, Inc. SAC 1010). ‘Poems of the Orient’ (Naxos, NA 215612) bevat behalve de Rubaiyat werk van Rumi, Sa’di, Hafiz, Jami en anderen.
Tenslotte is er een opname van Garard Green die ‘The Rubaiyat of Omar Khayyam’ voorleest, uitgebracht samen met ‘The Prophet’ en ‘The Garden of the Prophet’ van Kahlil Gibran (Oasis, OAS 89111)
Film
Hans Warren vond ‘Storm over Perzië’ over Omar Khayyám “mogelijk de slechtste film die ik ooit zag” (‘Geheim dagboek 1958-1962’). De film was gemaakt naar een scenario van Barré Lyndon. In de hoofdrollen speelden Cornel Wilde, Debra Paget , Raymond Massey en anderen. De muziek was van Victor Young en Frank Skinner. Op zijn beurt diende het scenario weer als basis voor een roman van Manuel Komroff, getiteld “The life, the loves, the adventures of Omar Khayyam’ (1957).
Ook Inne de Jong, de Friese vertaler van Omar, was niet over de film te spreken. In een recensie had hij het over ‘pearels foar de bargen’.
Een slechtere film over Khayyám kunnen Warren en De Jong daarna ook niet meer gezien hebben, want het was meteen de laatste. Maar het was niet de eerste ...
In 1925 ging ‘A lover’s oath’ in première, opgenomen in 1922, met in de hoofdrollen Ramon Samaniego (Novarro), Kathleen Key en Edwin Stevens. De productie was in handen van Ferdinand Pinney Earle, die in 1920 al een ‘poem in moving pictures’ (zie Potter nr. 696) had geproduceerd. C.W. Cadman schreef de muziek in de vorm van ‘An Oriental Rhapsody’. In hetzelfde jaar 1922 werd ‘Omar the tentmaker’ gedraaid in de regie van James Young, met in de hoofdrol Guy Bates als Omar Khayyám en Boris Karloff in de rol van imam Mowaffak. De film vertelt het verhaal van de jonge student Omar Khayyám die in het geheim getrouwd is met Shireen. Zij wordt door de shah meegevoerd en wordt opgenomen in zijn huishouding. Later bevalt ze van een dochtertje. Omar, die denkt zij een dochter van de shah is, voedt het kind op. Door toedoen van zijn jeugdvrienden, Nizam en Hassan, worden Omar en Shireen weer verenigd. Latere films gaan niet zozeer over Khayyám zelf, maar proberen zijn gedachtengoed uit te drukken, of hem een plaats te geven in de moderne belevingswereld.
Van Parviz Kimiavi is ‘Iran is my homeland’, waarin een jongeman op weg is naar Iran om een studie te publiceren over Perzische literatuur. Onderweg ontmoet hij de grote vijf: Sa’adi, Rumi, Hafiz, Omar Khayyám en Ferdowsi die hem adviseren en deelachtig maken in hun levenservaring.
Andere hedendaagse Iraanse cineasten die zich laten inspireren door Khayyáms verzen, zijn Abbas Kiarostami in ‘Le goût de la cèrise’ en in ‘Le vent nous emportera’. Deze laatste film eindigt met een kwatrijn van Khayyyám. In ‘De stilte’ probeert regisseur Mohsen Makhmalbaf in beeld en geluid uit te drukken wat Khayyám in zijn kwatrijnen wilde zeggen: gebruik je tijd, het leven duurt niet lang.
Evenals in boeken vind je ook in films citaten of kwatrijnen uit de Rubáiyát. In de western ‘Duel in the sun’ uit 1946, reciteert een van de hoofdrolspelers, voordat hij een strop om zijn nek krijgt, wegens moord op zijn vrouw en haar minnaar: “One thing is certain, and the rest is lies: The flower that once has bloomed, forever dies.”
De film ‘Pandora and the Flying Dutchman’ uit 1951, met Ava Gardner, begint met de ontdekking van twee lijken met in hun handen een exemplaar van de ‘Rubáiyát’. Het boek is opengeslagen bij de pagina met het beroemde kwatrijn: ‘The moving finger writes ...’

Jos Coumans
mei 2001
Overzicht
Maak een selectie