Interview Maarten Engeltjes: Muziek van troost en droefheid

12 december 2017

De befaamde countertenor Maarten Engeltjes zingt als solist tijdens de concerten van het Weihnachts-Oratorium. In onderstaand interview vertelt hij over het Weihnachts-Oratorium en wat de muziek van Johann Sebastian Bach voor hem betekent.

“In het Weihnachts-Oratorium draait alles om hoop. Hoop over de belofte van een nieuw leven, hoop voor de mensheid.”

Muziek van troost en droefheid

“Tja, het is een forse zit”, zegt countertenor Maarten Engeltjes (1984) over het Weihnachts-Oratorium van Johann Sebastian Bach, een van de twee programma’s die hij dit seizoen uitvoert met het Nederlands Kamerkoor. In december is hij te horen in het oratorium. Het komend voorjaar zingt hij in een serie concerten met Amerikaanse muziek, rond de Chichester Psalms van Leonard Bernstein.

Engeltjes is er vroeg bij. Al vanaf zijn vierde zingt hij als jongenssopraan. Hij maakt zijn debuut als countertenor wanneer hij zestien is, in de Matthäus-Passion. Hij is internationaal actief en werkt met dirigenten als Gustav Leonhardt, Ton Koopman, Peter Dijkstra, Reinbert de Leeuw, Markus Stenz, William Christie en Emmanuelle Haïm. Naast repertoire uit de barok zingt hij ook eigentijdse composities. Zo was hij onlangs nog te horen in het Requiem van Lera Auerbach, met de Staatskapelle Dresden onder leiding van Vladimir Jurowski. Het is acht jaar geleden dat hij voor het laatst met het Nederlands Kamerkoor optrad.

Engeltjes treedt aan in vier van de zes cantates die samen het Weihnachts-Oratorium vormen. “In omvang is het Weihnachts-Oratorium te vergelijken met de Matthäus-Passion, terwijl die zich concentreert op het lijdensverhaal van Christus en zijn dood. In het werk van Bach is de dood vaak aanwezig. Hij heeft daar in zijn directe omgeving mee te maken gehad. Een aantal van zijn kinderen zijn vroeg gestorven. Dat moet hem groot verdriet gedaan hebben. Er lijkt soms de opvatting te zijn dat kindersterfte en de dood minder erg waren in die tijd en erbij hoorden maar veel van Bach’s kinderen waren al peuters, echte persoontjes toen hij ze verloor. Nu ik zelf een zoontje heb kan ik me daar een voorstelling van maken. Als Bach over de dood schrijft, raakt me dat dan ook tot in het diepst van mijn wezen. Maar in het Weihnachts-Oratorium draait alles om hoop. Hoop over de belofte van een nieuw leven. Hoop voor de mensheid. Dat wordt al uitgedrukt in ‘Nun wird mein liebster Bräutigam’, het recitatief dat ik aan het begin van het eerste deel zing. Ik ben me heel bewust van die woorden.”

Er is wel een verschil tussen het doorleven van de woorden in een religieus geïnspireerd oratorium en een vereenzelviging met de godsdienstige lading, aldus Engeltjes. Hij groeide op in het Gelderse stadje Elburg, een protestants bolwerk. “Mijn moeder was hervormd, maar mijn vader hing geen geloof aan”, zegt hij. “Ik ben dus wel in een religieuze omgeving opgegroeid, maar ik heb er een wat ongemakkelijke verhouding mee. Vragen die ik vanaf mijn tiende bij het geloof had, durfde ik pas op mijn veertiende hardop te stellen. Ik heb het nu losgelaten. Ik ben gaan beseffen dat het vooral van belang is wat de mens ermee doet. Het geloof heeft mensen wel geïnspireerd tot prachtige dingen. En ik moet zeggen dat het verhaal, de bijbel, een grote impact gehad heeft. Maar als je gaat kijken naar wat eronder ligt, dan is het een doc- trine. Zoals Conny Palmen het uitdrukte: ‘ik geloof niet in God, maar ik houd wel van hem.’ Ik heb een meer boeddhistische levensvisie: in ons hebben we allemaal iets van God, van het goddelijke. Voor Bach lag dat anders. Hij geloofde in die God, in de leer, en dus moest dat wel een integraal onderdeel van zijn werk zijn.”

Johann Sebastian Bach is de allergrootste, verklaart Engeltjes zonder enige reserve. Hij werd al op jonge leeftijd geraakt door de muziek. Hij herinnert zich dat hij voor het eerst de Matthäus-Passion meemaakte toen hij zes was. “Als lid van het koor zat ik er middenin. Ik schijn diep geraakt geweest te zijn en dagenlang op mijn kamer de muziek gestudeerd te hebben. De reden dat zijn muziek mij zo raakt is dat je zijn zoeken hoort, een zoeken naar troost. Je kunt er allerlei analyses op loslaten, er zijn er die volhouden dat Bach de muziek al schreef voor hij de teksten kende, maar hoe dan ook openen die diepe, troostrijke melodieën een luikje naar iets dat groter en hoger is dan wijzelf. Naast alle hoop heeft het Weihnachts-Oratorium een droeve ondertoon, zoals in de aria ‘Schlafe, mein Liebster’. Daarin wiegt Maria haar pasgeboren kind in slaap. Maar de aria handelt ook over wat voor lot hem te wachten staat. Een geboorte blijft een overrompelende belevenis: een levend wezen dat uit een lichaam tevoorschijn komt. Bach kende de hoop van het toeleven naar een geboorte. Het is niet voor niets dat hij Maria laat zingen over het wonder dat ze in haar hart sluit. Het Weihnachts-Oratorium gaat negen keer. Ik kan je zeggen dat je emotioneel gesloopt wordt. Bij de laatste uitvoering van zulke tournees houdt vaak niemand het meer droog.”

De countertenor is als stem lang uit de gratie geweest. In de barok werden sopraanpartijen gewoonlijk nog gezongen door jongens, terwijl altpartijen voor rekening kwamen van de countertenor. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw werd de stem weer in ere hersteld, onder meer door toedoen van Benjamin Britten. “Het is waanzinnig interessant om die sprong te maken”, vindt Engeltjes. “Er gaapt een Grand Canyon tussen het repertoire uit die vroege periode en eigentijdse muziek, zoals van Lera Auerbach. Het is ook een geweldige en leuke uitdaging om de muziek van Leonard Bernstein en die andere Amerikanen te zingen. Een van de redenen waarom de countertenor tweehonderd jaar lang uit de gratie raakte, was de opkomst van de grote theaters. Daarin kwam die stem niet tot zijn recht. In het barokrepertoire heeft de countertenor echt een plaats. Overigens stond ik vorig jaar versteld van een Matthäus met Jordi Savall, zijn allereerste! Het orkest kende de partituur aanvankelijk nauwelijks, maar gaandeweg openbaarde de muziek zich aan hen. Meer naar het noorden ligt de nadruk vaker op een strak in de hand gehouden tempi en partituurkennis, terwijl bijvoorbeeld het tempo van een aria best op het moment mag ontstaan, vind ik. Een van de dingen die ik in Peter Dijkstra waardeer is dat hij je die vrijheid durft te geven. Hij kent de partituur door en door, maar die kennis is bij hem niet alleenzaligmakend. Ik mag van hem gelukkig ook ademen.”

Door René van Peer

Dit interview is verschenen in het meest recente magazine. Klik hier om het magazine helemaal te lezen, of klik hier om u in te schrijven voor het magazine.

Op de hoogte blijven? Ontvang maandelijks concertinformatie, filmpjes, nieuws en meer…