Programmatoelichting

Programmatoelichting

Vespers van Rachmaninov

Op 23 maart 1915 ging er in het grote trappenhuis van de muziekgeschiedenis een zijdeurtje open dat toegang biedt tot de eeuwigheid. Die dag bracht het Moskouse Synodaal Koor de Vespers van Sergej Rachmaninov in première. De tijd stond stil, en dat staat hij nog steeds wanneer deze geïnspireerde noten klinken. Rachmaninovs unieke combinatie van liturgische diepgang en modern compositorisch vernuft geldt inmiddels als een absoluut hoogtepunt in de koorliteratuur. Het Nederlands Kamerkoor en chef-dirigent Peter Dijkstra zingen het werk deze herfst in een relatief compacte bezetting van dertig zangers. Net als in 2017, toen het NKK zijn tachtigste verjaardag vierde met de Vespers, zullen de lange vloeiende lijnen, de subtiele kleurnuances en de grote dynamische bandbreedte zo optimaal tot hun recht komen.

De Vespers was een onmiddellijk succes. Te midden van de Eerste Wereldoorlog (de opbrengsten van de première gingen gedeeltelijk naar de Russische oorlogsinspanning) bood het werk schoonheid, troost en geloof. Publiek en kritiek sloten het in hun harten en er volgden al snel meer uitvoeringen, tot het na de revolutie van 1917 en de oprichting van de Sovjet-Unie verboden werd. In de communistische heilstaat was geen plaats voor religieuze muziek. Daarmee kwam een einde aan de opleving van interesse in Russisch-orthodoxe kerkmuziek die was begonnen met de Vespers van Tsjaikovski, drie decennia eerder. Pas een halve eeuw later werd het werk wereldwijd omarmd.

Eerst even over de titel: de ingeburgerde benaming Vespers klopt eigenlijk niet. Rachmaninov gebruikte teksten uit verschillende getijden van het Russisch-Orthodoxe officie, die samen de nachtwake voorafgaand aan de zondagsviering vormen. Deze nachtwake omvat niet alleen de vespers (het avondgebed), maar ook de metten (gebeden tussen zonsondergang en zonsopgang) en de priem, het eerste gebed van de nieuwe dag. In het Engels is daarom de letterlijke vertaling All-Night Vigil ('nachtwake') gebruikelijk. Rachmaninov koos vijftien momenten uit de viering om te toonzetten; nummers 1-6 corresponderen met de vespers, nummers 7-14 met de metten en het slotdeel met de priem.

Rachmaninov was zelf geen kerklijk man. Maar net als verschillende collega-componisten, en zeker beïnvloed door het voorbeeld van Tsjaikovski, voelde hij zich aangetrokken tot de orthodoxe kerkmuziek, met haar uitgesponnen melodielijnen die nauw aansluiten bij de zangerige prosodie van het Kerkslavisch (de taal van de orthodoxe liturgie, zoals het Latijn dat in de katholieke kerk was). Rachmaninov studeerde oude kerkzang bij Stepan Smolensky, een groot kenner van de traditie en onder meer dirigent van het Moskouse Synodaal Koor, aan wie hij de Vespers opdroeg. Tien van de vijftien delen zijn letterlijk gebaseerd op oude melodieën, voornamelijk uit de znamennyj-traditie, die wordt gekenmerkt door lange, golvende, unisono gezongen lijnen met een nadruk op kalmte en evenwicht. Maar ook de vijf originele delen (nummers 1, 3, 6, 10 en 11) zijn zo door de chant-traditie beïnvloed dat Rachmaninov ze zelf ‘bewuste vervalsingen' noemde.

Dat gezegd hebbende: het lijkt alsof sommige originele delen nog meer dan de rest zijn aangeraakt door Rachmaninovs weergaloze muzische genie. Het ‘Halleluja’ van deel 3 is ernstig en plechtig, maar ook elegant en lichtvoetig als een ree die in de avondschemering door het veld gaat. Volgens sommigen nog mooier: het zesde deel, Ave Maria, waarschijnlijk het meest geliefde lied uit de hele cyclus. Meanderend zwelt het aan van heel klein en breekbaar tot fortissimo, en het is zo bedwelmend dat je je makkelijk kunt voorstellen dat dit het eerste lied is dat ooit gezongen werd. Toch verschenen ook deze noten pas in 1915 op papier, in de twee weken die Rachmaninov nodig had om zijn Vespers te componeren. Je hoeft niet in goddelijke inspiratie te geloven om dat een wonderbaarlijke prestatie te vinden.

De invloed van de chant-traditie met haar kalme lyriek toont zich meteen in het openingsdeel ‘Kom, laten wij aanbidden’. De melodie stroomt traag door het oneindig laagland van een oude harmonische wereld. Wanneer je denkt dat de zin is afgelopen, komt er toch nog een bocht en nog een prachtige, volstrekt logische toonval. Terwijl verder westwaarts componisten als Arnold Schönberg en Claude Debussy de klassieke harmonieleer ondergroeven met atonaliteit en exotische akkoorden, creëerde Rachmaninov een illusie van tijdloze, bezonken samenklank. Het is muziek als een kerkschip: groots, ruimtelijk, statig, tegelijkertijd geborgen en ogenschijnlijk gewichtloos.

De illusie is extreem geraffineerd, want wie goed luistert, hoort allerlei anachronismen, zoals verrukkelijk kruidige dissonanten. Ze vestigen alleen niet de aandacht op zich, ze ondersteunen de illusie. De vierstemmigheid waaiert regelmatig uit tot zes of acht stemmen, en in het zevende deel is er zelfs een moment dat Rachmaninov het koor in elf stemmen opsplitst. De Vespers is geen werk dat alleen terugkijkt, het herschept het verleden met eigentijdse middelen en technieken, en met een surplus aan muzikale verbeeldingskracht, tot er iets nieuws ontstaat dat klinkt alsof het er altijd geweest is.

Het beroemdste voorbeeld van zo'n authentiek klinkende uitvergroting doet zich voor aan het slot van het vijfde deel, ‘Nunc dimittis’. Toen dirigent Nikolai Danilin zag hoe een dalende toonladder van de bassen hier eindigde op een lage bes, zei hij volgens de componist: ‘Waar vind ik in hemelsnaam zulke bassen? Die zijn zo zeldzaam als asperges met Kerstmis!’ Rachmaninov ging er prat op dat hij ‘de stemmen van zijn landgenoten’ kende en hield voet bij stuk. Danilin vold de zeldzame bassi profondi wel degelijk, zoals ook het Nederlands Kamerkoor ze gevonden heeft. Hun sonore aanwezigheid, niet alleen hier, maar in het hele werk, opent een akoestische diepte die de luisteraar de sensatie bezorgt gedragen te worden door de muziek.

Hoewel Rachmaninov de Vespers zelf tot zijn beste composities rekende, is het zeker niet zijn bekendste werk. Rachmaninov is toch op de eerste plaats de schepper van een verzameling hoogtepunten uit de pianoliteratuur - spectaculaire pianoconcerten die zó populair zijn dat ze vaak worden afgekort tot ‘Rach 2’ of ‘Rach 3’. Toch duidde meesterpianist Sergei Babayan het typisch ‘Russische’ karakter van Rachmaninov ooit als: ‘nostalgie en een soort introverte diepgang’. Dat zijn kwalificaties die je misschien niet meteen associeert met flamboyante pianistiek. Maar ze raken zonder meer aan de kern van de Vespers. En zo ‘Russisch’ als Rachmaninov was, zo universeel menselijk resoneert zijn kunstenaarschap. Terwijl de wereld net als in 1915 duistere tijden beleeft, wenkt hij ons binnen door dat ene deurtje, in een vestibule van de eeuwigheid, om elkaar gezelschap te houden tijdens een reis naar het einde van de nacht.